vorig gedicht | volgend gedicht | op jaar publicatie | op alfabet | intro


De dageraad


en God zij tegen Gabriël
zie toch al die mensen aan
vastgeroest in hun bestaan
ver bij zichzelf vandaan
hun nood is groot
werf mij een zoon
die hen zal bevrijden
nu zijn zij levend dood
straks autonoom


ga op weg naar de vrouw Maria
ze woont in het stadje Galilea
in het land van Israël
toe, je kent haar wel
zij die door Jozef is bemind
in verwachting van haar eerste kind

zeg haar dat ik de jongen claim
zij voeden hem op helemaal alleen
zonder invloed van anderen
ik wil alles veranderen

laten zij hem weghouden van de kerk
laat zijn vader hem meenemen naar zijn werk
voor hem geen catechisatie
door de heersende generatie
geen eigentijds idool
geen zondagsschool
geen studie van de Islam
voor hem geen plaats
aan de voeten van de rabbijn
niemand zal zijn leraar zijn


vorig gedicht | volgend gedicht | op jaar publicatie | op alfabet | intro